Landinformatie Kroatië en Slovenië

Slovenië - Josip Broz Tito
(dezelfde tekst als bij Kroatië)

Na de oorlog werd Tito in november 1945 tot eerste minister-president van de Federatieve Volksrepubliek Joegoslavië benoemd. Joegoslavië bestond uit zes deelrepublieken: Slovenië, Kroatië, Bosnië-Herzegovina, Servië (met de zelfstandige provincies Kosovo en Vojvodina), Macedonië en Montenegro. Het goede nieuws was dat Tito een staat wilde creëren waarin geen etnische groep het politieke klimaat mocht domineren. Het slechte nieuws was dat hij een “één-partij-staat” creëerde, waarin hij alle verschillen met betrekking tot nationalisme, koningsgezindheid en geloof in de ban deed. De toenmalige overheid deed voorkomen dat het tegen georganiseerde geloofsovertuiging (met name de katholieke kerk) zou zijn of er niets van zou weten en dat ging tegen zijn waarneming in met de overtuiging dat deze kerk medeplichtig was aan het moordachtige nationalisme tijdens WO II.

Tito werd in het noorden van Kroatië geboren in 1892 als zoon van een boer annex smid. Na zijn trektocht door Europa (als arbeider in grote fabrieken in onder andere het Ruhrgebied en Wenen) vocht hij tijdens WO I voor het Oostenrijkse leger. In die tijd werd hij gevangen genomen en als krijgsgevangene naar Rusland gestuurd, waar hij Stalin ontmoette. Pas in 1920 keerde hij terug naar Joegoslavië, waar hij door zijn politieke opvattingen tegen het regime van de Serven 6 jaar in de cel belandde.

In 1947 werd Istrië en de stad Zadar en omgeving aan de republiek toegevoegd (sinds 1920 bij Italië behorend). De betrekkingen met Rusland waren sterk en Joegoslavië werd een staat naar Russisch voorbeeld. Tito wilde een samenwerkingsverband met Bulgarije en Albanië, maar omdat Rusland hiertegen optrad kwam het tot een breuk met Stalin. Het land voerde een gematigde communistische politiek hetgeen als gevolg had dat in 1950 het zogeheten arbeiderszelfbestuur zijn intrede deed. De burgers kregen de vrijheid om naar het buitenland te reizen, zelfs naar de westerse landen. Er kwam steeds meer bevoegdheden in de handen van de leiders van de afzonderlijke deelstaten. In 1953 werd het plan van een collectieve landbouw opgegeven. In de tussentijd werd veel geld van de rijkere staten Slovenië en Kroatië overgeheveld naar de armere staten Bosnië en Montenegro. Er dreef dan ook veel geld verdiend van het florerende toerisme aan de Adriatische kust in Kroatië en Slovenië naar Belgrado.

In 1971 ondernamen politieke dissidenten, intellectuelen en studenten in Zagreb een poging om van Kroatië een afzonderlijke staat te maken. Het leger sloeg met harde hand de opstand neer en de verantwoordelijken werden zwaar gestraft (sommigen emigreerden naar de VS). Kroatië manoeuvreerde zich hiermee in een moeilijke positie en de meeste zware politieke en economische posten kwamen in handen van de Serven. De onderlinge verschillen tussen de diverse volkeren waren groot en binnen de deelstaten werd de roep om grotere zelfstandigheid steeds groter. Tito wist de gemoederen echter te bedaren en de regeringen van de deelstaten in toom te houden.

Tito’s dood in 1980 schokte de wereld, want de 87-jarige president genoot groot aanzien. Tito’s gewoonte om in het buitenland goedkopere consumptiegoederen te betalen via leningen, leidden tot een economische crisis in het land.

In 1981 beschuldigde (inmiddels voormalige president van Kroatië) Tudjman Belgrado van het discrimineren van de Kroaten. Hij kreeg een celstraf van 3 jaar met een zwijgplicht van 5 jaar.

De deelrepublieken Slovenië en Kroatië waren beter georganiseerd en meer geïndustrialiseerd dan de andere deelrepublieken en voelden er weinig voor om hun inspanningen te delen met de andere deelstaten, terwijl ze in feite niet veel te zeggen hadden in de centrale regering.

Bron:
- Lonely Planet - Croatia; 1e editie april 1999 (cijfers en uit het Engels vertaalde tekst)
- Slovenia; 2e editie september 1998 (foto Tito, cijfers en uit het Engels vertaalde tekst)
- Elmar reishandboek - Kroatië; 1e druk 1999 (cijfers en tekst)